Dementie en ouderenzorg
Aufleben
Ouderen- en verzorgingstehuis

Methodiek van het zorgmodel volgens Prof. Erwin Böhm



Methodiek van het zorgmodel volgens Prof. Erwin Böhm:
Optimale zelfredzaamheid en een tevreden dag voor mensen met ouderdomsverwarring (MCI) en dementie.

Brochure Böhm methodiek: Dagbesteding / Thuisbegeleiding (pdf)
Böhm methodische samenvatting profs 18 januari 2017 (pdf)


Aansluiting bij vrijwel alle variaties in de zorgorganisatie

Op de eerste plaats is het zorgmodel volgens Böhm geen ‘andere’ aanpak bij ouderdomsverwarring en dementie, maar een inhoudelijk methodische en objectief meetbare verdieping, gebaseerd op tientallen jaren ontwikkeling vanuit de praktijk, gebaseerd op de Weense school voor dieptepsychologie en geleid door de organisatie ENPP (www.enpp-boehm.com).
In het Nederlandstalige gebied wordt ENPP vertegenwoordigd door Consultancy Zorg Giersbergen, inhoudelijk onder leiding van Dolf Becx (www.zorggiersbergen.nl).

Het stelt mensen met ouderdomsverwarring (Minimal Cognitive Impairment) en dementie in staat om veel langer verantwoord zelfredzaam thuis te wonen (met passende activiteiten buitenshuis) en het stelt uiteindelijk het verpleeghuis in staat om mensen nog tot de laatste weken van hun leven actief en tevreden te houden, zonder psychofarmaca en zonder de noodzaak van gesloten afdelingen (mits er uitsluitend sprake is van dementie).

Het sluit aan op de bekende varianten binnen de ‘belevingsgerichte zorg’ zoals Dementia Care Mapping, de methode Cora van der Kooij, de methode Anneke van der Plaats, het adaptatie-copingmodel van Anne-Marie Dröes en Reminiscentie van Douwe Draaisma, maar brengt meer diepgang en bruikbare elementen. Het is een methode die vanaf vroegere stadia meerwaarde oplevert, vandaar dat het primair gebruikt kan worden voor de thuissituatie en op de dagactiviteiten/verzorgingscentra. Vooral de wijze waarop gevoels-biografische gegevens worden verkregen en verwerkt is bijzonder en aanvullend op andere richtingen in de belevingsgerichte zorg. Het is uitstekend inpasbaar in procedureel methodische omgevingen, zoals het Zorgleefplan (ZLP)  of het ‘Persoonlijk zorgplan’ en kwalificatiesystemen zoals het Omaha System.


Verdieping

Het zorgmodel volgens Böhm is een verfijnde zorg-inhoudelijke methodiek, waarbij veel afhangt van het consequent, waardevrij en zorgvuldig handelen van betrokken medewerkers, partners en (mantel-)zorgers. Verkeerde of onvolledige gegevens leiden tot onjuiste interpretaties en dat leidt weer tot verkeerde analyses. Dat levert geen of zelfs tegengestelde resultaten op.

Toch is het geen complexe materie. Eenmaal goed ingewerkt in de methodiek kan een juiste analyse snel gemaakt zijn.

Deze notitie is bedoeld om verdieping te geven bij de algemene informatie over het zorgmodel, zodat geïnteresseerde partijen beter begrijpen hoe de methodiek nu precies succesvol is.


De werkzame bestanddelen uit de methodiek

De zorg-inhoudelijk methodische benadering is een analyse die langs een aantal stappen tot stand komt en uiteindelijk leidt tot een 24-uurs schakeling van activiteiten en ‘impulsen’, waarbij de cliënt emotioneel stabiel is, optimaal zelfredzaam actief is en een tevreden dag beleeft. Dat levert voorts een beperkte belasting voor het zorgnetwerk op en daardoor uiteindelijk ook een beperking van maatschappelijke kosten.

Een ‘activiteit’ is een bezigheid waarmee de cliënt zich zoveel mogelijk zelfredzaam beweegt en gevonden wordt in de gegevens van de gevoelsbiografie (psychobiografie). Een ‘impuls’ is een bijzondere activiteit die een emotionele instabiliteit (decompensatie) verzacht, wegneemt of compenseert. Een ‘sleutelprikkel’ is tenslotte een actie van een verzorger/begeleider die ertoe leidt dat een cliënt tot een bepaalde activiteit overgaat.

Eén enkele ronde analyseren volgens de methode is vaak onvoldoende, omdat geen enkel mens zich laat vangen in ‘standaarden’. Het is dan ook een iteratief proces, waarbij een regelmatige evaluatie steeds een nieuw beginpunt is.

De stappen bestaan uit:

  • Een zorgvuldige en volstrekt waardevolle belevingsbiografie (psychobiografie).
  • Een duidelijke ‘omgevingsbiografie’, over de omgeving waarin iemand geleefd heeft.
  • Een ‘emotionele vragenlijst’ als hulpmiddel bij het realiseren van de belevingsbiografie.
  • Een vragenlijst ‘dagelijkse rituelen’ om de benodigde ‘kleine’ gewoontes en handelingen te vinden.
  • Een psychogeriatrisch interactieschema (bereikbaarheidsfasen) met een variant voor een stabiele situatie en een variant voor een instabiele situatie. Dit is tevens het meetinstrument voor het resultaat van activering en re-activering. De resultaten (vooruitgang, achteruitgang, stilstand) worden uitgedrukt in een grafiek.
  • Een inschalingsdocument voor het bepalen van niveaus in het gevoelsleven bij diepere dementie.
  • Een zorgplan voor het bepalen en vaststellen van de activiteitenschakel, met ruimte voor evaluatie.
  • Een (digitale) agenda voor het organiseren van activiteiten en impulsen en de begeleiding die daarbij  vereist is.


Imprintingstijd

Vooraf is het van belang te weten dat mensen met ouderdomsverwarring, dementie of verschillende andere hersenaandoeningen steeds meer aangewezen zijn op de informatie die is ‘ingeprint’ op de zogeheten ‘frontale cortex’ (Prof. Dr. Erik Scherder, VU). Deze ‘imprinting’ (leenwoord uit de Ornithologie) is begonnen bij de geboorte en duurde tot het 23e, soms 30e levensjaar. Daarna is de frontale cortex gaan slijten. Herinneringen zijn daarna opgeslagen in diverse verbindingen in de hersenen. Die verbindingen raken als eerste beschadigd en/of verdwijnen en dat heeft geheugenproblemen als gevolg.

Böhm heeft dit ook zo ervaren en stelt daarom vast, dat de belevingsbiografie vooral van belang is voor het leven tot maximaal zo’n 23 à 30 jaren. Uitsluitend bijzonder vormende gebeurtenissen enigszins daarna (bijvoorbeeld oorlog) kunnen nog van belang zijn.

Let wel, dat bij dementie nog lang een combinatie van de imprintingstijd en actuelere herinneringen vermengd kunnen zijn. Daar dient altijd rekening mee gehouden te worden.

Overigens, het blijkt steeds nadrukkelijker dat iemand die lichaam en geest bewust ‘getraind’ heeft in diens leven, langer gebruik kan maken van de frontale cortex. Daarmee zullen we steeds meer rekening mogen houden. De gegevens op de frontale cortex vervagen en verdwijnen uiteindelijk ook. Het lijkt op een ‘omgekeerde ontwikkeling’ (omkeerfenomeen) van de mens. Het tempo en de wijze waarop dit gebeurt is per individu verschillend. Soms blijft een selectie van actuele herinneringen toch nog lang actief. Blijven uitdagen van de resterende hersenfuncties helpt in elk geval. Maar een cliënt ontkomt er uiteindelijk (nog) niet aan, dat dementie ‘verdiept’. De herinneringen op de frontale cortex vervagen van relatief recent naar steeds langer geleden. Böhm verdeelt dat in 7 fasen conform de Global Deterioration Scale van Reisberg (dus niet in 3 fasen, zoals gebruikelijk in Nederland), waarbij de fase van ‘zuigeling’ de laatste is waarin nog basaal gecommuniceerd kan worden (oercommunicatie).


Ieder mens is een individu

Ook vooraf is het van belang te weten, dat elk mens op zich al anders is, maar ook anders is in het proces van dementie. Helaas is alles wat in het zorgmodel beschreven wordt niet altijd toepasbaar bij iedereen.

Het succesfactor zal dus nooit 100% zijn, hoe zorgvuldig er ook gewerkt is.

Niet zelden is het een kwestie van geduldig blijven zoeken naar oplossingen, binnen de mogelijkheden die de methodiek biedt en op grond van de eigenheden van de persoon in kwestie. Mede daarom is het analysemodel in de methodiek ook een iteratief proces.


De gevoels- of belevingsbiografie (psychobiografie)

Het realiseren van een zorgvuldige (juiste) en volstrekt waardevrije belevingsbiografie is het fundament van het methodisch handelen. De kwaliteit van dit (dynamische) document is dan ook van wezenlijk belang voor het kunnen aanbieden van de juiste activiteiten en impulsen. Gegevens worden primair verkregen uit verhalen van de cliënt zelf en niet zozeer uit observaties. De volstrekt onbevooroordeelde houding van degene die de biografie opmaakt is wezenlijk.

Let wel, dat het nooit gaat om het ‘bevragen’ van de cliënt, maar het ‘opvangen en bewaren’ van spontane uitingen. Een gevoelsbiografie is daarom zelden een goed lopend document, maar een verzameling van relevante uitspraken, uitdrukkingen en bijzondere handelingen. Kleine dagelijkse dingen zijn daarbij belangrijker dan grote (eenmalige) belevingen.

Een ‘emotionele vragenlijst’ is voor de psychobiografie een hulpmiddel. Dit document geeft aan op welke terreinen er gegevens nodig zijn om de biografie goed te kunnen schrijven. Een vragenlijst naar ‘dagelijkse rituelen’ helpt om de bruikbare informatie daar uit te filteren.

Het is van groot belang om te weten dat de belevingsbiografie niet door feiten gedomineerd moet worden, maar door ‘gevoelens’; zintuiglijke herinneringen: hoe voelde iets? Hoe rook iets? Hoe mooi was iets? Waar werd iemand blij van? Wat beroert iemand tot tranen? Ook de bijbehorende ‘copings’ zijn van belang. Hoe reageert iemand op tegenslag? Hoe euforisch kan iemand zijn? Dan volgen zogeheten ‘sleutelprikkels’: Welke woorden of welke aanwijzingen zet iemand aan tot een bepaalde actie? Als er dan toch feitelijke gegevens worden beschreven, dan dienen het alledaagse, vaak wederkerende zaken te zijn: het huishouden, school, werk, omgaan met ouders, broers en zussen, eten, slapen.

De ‘levensverhalen’ van cliënten dienen in de eigen woorden van de cliënten te worden opgeschreven. Immers, hoe dieper in dementie, hoe nadrukkelijker ze alleen nog die precieze ‘eigen woorden’ herkennen. Uiteindelijk reageren mensen in dementie zelfs uitsluitend op de exacte uitdrukkingen, spraakgebruiken etc. die zij zelf hebben gebezigd of zo vaak van ouders of andere naasten hebben gehoord. ‘Ongeveer’ is dan vaak niet meer functioneel; men reageert er niet (meer) op.

Het is van het grootste belang dat de belevingsbiografie wordt geschreven bij beginnende ouderdomsverwarring of dementie. Dat is de periode waarin mensen hun ‘echte’ levensverhalen (zoals zij het persoonlijk herbeleven) doorgaans het beste kunnen vertellen en het juist dan ook graag willen vertellen. Die verhalen wijken niet zelden af van herinneringen die partners of andere naasten hebben. De eigen belevingsverhalen kunnen zelfs helemaal niet hebben plaatsgevonden, maar zijn dan een illusie, waar de cliënt toch diens echte verleden uit herinnert.

Te vroeg gaan schrijven levert sociaal wenselijke antwoorden op. Te laat gaan schrijven levert niets meer op..

Hoe dan ook, het is de beleving die in dementie de enige herkenbare realiteit (normaliteit) van cliënten is.

Hij of zij begrijpt steeds minder goed dat de ‘echte’ realiteit anders is en verzet zich actief (agressie) of passief (apathie) tegen alles en iedereen dat of die niet past in die eigen normaliteit.

Activiteiten en impulsen kunnen dus daarom alleen maar aanslaan, als ze vanuit die eigen normaliteit worden aangereikt. Het is aan de zorg om zich in te leven in de normaliteit van de cliënt  en daar consequent rekening mee te houden; nooit andersom.


Niet meer herkennen van partner of kinderen

Eén van de meest schrijnende situaties bij dementie is het gegeven dat de cliënt diens partner, kinderen of andere naasten niet meer herkent in de huidige verschijningsvorm.

Omdat deze personen in de beleefde leefwereld van de cliënt wellicht er ook nooit echt zo uit hebben gezien zijn oude foto’s of films ook niet per definitie een oplossing. Het werkt soms.

Het is beter om vanuit de beleefde leefwereld goed na te gaan welke gevoelens die naasten hebben achtergelaten: warmte, tederheid, een bepaalde geur. Daarmee is een alternatieve herkenning vaak nog wel mogelijk. Het vergt ook hier vooral aanpassing van de naaste zelf. Het vergt ook vooral weer een hele zorgvuldige belevingsbiografie, want op een verkeerde aanraking of een afwijkende geur kan heel afwijzend worden gereageerd. Het moet precies overeenkomen met de opgeslagen beleving.


Omgevingsbiografie

Een mens wordt deels gevormd door diens directe omgeving (het gezin) en deels door de omgeving waarin hij of zij is opgegroeid (‘gesocialiseerd’), met alle gewoontes, rituelen en bijzonderheden daarvan. Het is van belang om te weten hoe die omgeving was. Het gaat daarbij om stad of platteland, om het gebruikelijke dialect, om de sociale klasse, om het geloof, om de welvaart die iemand (wel of niet) genoten heeft, om eetgewoonten, om feesten, om regionale uitdrukkingen en gezegdes, etc. Vooral het gewone dagelijkse leven is van belang en alles wat tot bijzondere copings heeft geleid (Angst voor het duister? Angst voor slecht weer? Vrolijk vanwege de jaarmarkt of het carnaval?).

Deze informatie wordt doorgaans verzameld uit (lokale) publicaties of van zogenaamde ‘heemkundekringen’, hoewel ook ‘oude vrienden en collega’s’ van dienst kunnen zijn. Directe verwanten zijn ook hier vaak minder betrouwbaar, vanwege hun intrinsieke inkleuring van hun beleving t.o.v. de cliënt.


Psychogeriatrisch interactieschema

Met dit document kan nauwkeurig worden bepaald in welke fase (1 t/m 7 conform Reisberg CDS) van dementie de cliënt actueel verkeert op een 8-tal onderdelen. Deze inschaling wordt gedaan op een moment dat een cliënt zich goed voelt (gecompenseerd) en op een moment dat de cliënt last heeft van instabiliteit (gedecompenseerd).

De eerste analyse geldt als een 0-meting en wordt gedaan voordat de cliënt een activatieprogramma krijgt aangeboden.

De functionaliteit van het activatieprogramma zal blijken uit volgende analyses, die herhaaldelijk worden gedaan; steeds als een verschil in interactiemogelijkheden wordt opgemerkt door de begeleiding. Soms is dat zelfs dagelijks (jong dementerenden met een sterk progressief regressieproces), meestal is het ongeveer maandelijks. De resultaten van de analyse worden uitgedrukt in twee grafieken: één voor de stabiele situatie en één voor de instabiele situatie.

Bij het activatieprogramma wordt vooral gewerkt aan onderdelen die ‘dalen’ in de grafieken laten zien.

Het interactieschema stelt de begeleiding tevens in staat om op de juiste ‘bereikbaarheidsfase’ in te stappen voor communicatie/interactie met de cliënt en vandaaruit stabiliteit te bevorderen.


Inschaling van het gevoelsleven

Indien er sprake is van ‘diepe dalen’ in het interactieschema, kan nog nauwkeuriger worden bepaald waar het in het gevoelsleven aan schort. Dat is methodisch gerealiseerd door middel van een inschalingstabel van het gevoelsleven. Alle waarneembare gevoelsbeperkingen zijn is de inschaling verwerkt.

Doorgaans wordt op deze wijze (bij geconstateerde instabiliteit) een ‘overwegend probleem’ vastgesteld, dat centraal staat bij het (re-) activeringsprogramma.

Met kennis over tekortkomingen in het gevoelsleven kunnen ‘impulsen’ ter verbetering of compensatie nauwkeurig worden bepaald, hetgeen de stabiliteit en de interactiemogelijkheden bevordert.


Zorgplan

Uit de verzameling van gegevens van bovengenoemde documenten kan worden vastgesteld welke activiteiten zinvol zijn voor een zelfredzaam ingevulde dag, die tot tevredenheid leidt. Tevens kan worden vastgesteld welke impulsen nodig zijn (vanuit een mogelijk overwegend probleem) om stabiliteit te bevorderen als dat noodzakelijk blijkt.

Het zorgplan heeft ook een evaluatieparagraaf, dat de aanzet tot herhaling van de analyse geeft.

Om het zorgplan zorgvuldig te kunnen invullen is een hulpformulier beschikbaar, dat wordt gebruikt als een betreffende medewerker nog niet voldoende ervaring heeft om een zorgplan ineens te schrijven.


Activiteiten agenda

Het zorgplan is tenslotte de grondslag voor een 24-uur activiteitenschema, dat per dag wordt ingevuld.

Dit schema geeft aan op welke tijden bepaalde activiteiten kunnen worden ingezet, welke ‘copings’ en sleutelprikkels daarvoor moeten worden aangesproken (en op welke wijze) en wie dat doet, c.q. hoe dat moet gebeuren. Dit alles is bedoeld voor een consequente benadering, die de verwarring bij een cliënt minimaliseert en de zelfredzaamheid uiteraard optimaliseert.

Dit onderdeel wordt zowel handmatig als digitaal aangeboden.


Download hier dit artikel als pdf





Copyright © 2018 disclaimer - Zorgboerderij Giersbergen - Giersbergen 2, 5151 RG Drunen -   0416 - 38 20 37 - -   www.facebook.com/Zorgboerderij-Giersbergen - powered by Dreamsites Webdesign